Zweet en tranen

En waar nu een rijke natuur in het onland woekert, zo durf ik het best te stellen. Het is een mooie dag in het begin van de zomer welke ik door zal brengen in een veengebied van Staatsbosbeheer. Een hoogveengebied, met in het water een rijke vegetatie aan veenmos. Hier groeide het veen, hier werd in het verleden op grote schaal turf gestoken. Hier woonden in sobere hutjes, in grote armoede de veenarbeiders met hun gezinnen. Mannen en vrouwen, en ook kinderen verrichtten hier hun zware arbeid, zeven lange dagen in de week voor een karig loon. Hun bazen, de veenbazen werden rijk over de ruggen van hun werklieden. Ze werden uitgebuit. Vrouwen baarden hun kinderen in de schaduw van de hopen turf. Genoeg is hier over geschreven. Maar ik denk niet dat wij met alle luxe en rijkdom van deze tijd, ons goed kunnen voorstellen wat zich hier allemaal heeft afgespeeld. Nu is er een rijke natuur, en we mogen blij zijn dat er zulke gebieden, wat tot voor vrij kort nog onland, waardeloos land werd genoemd, door organisaties zoals Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, of één van de provinciale landschappen beheerd wordt, en behouden blijft voor de volgende generaties

 

Ingebouwde wekker

Als ik zo een dag de natuur in trek wil ik voor de zon opkomt op de plaats van bestemming zijn, zo ook nu. Om halfvier zou de wekker aflopen, maar zoals altijd ben ik deze voor. Het is net alsof ik een ingebouwde wekker heb, ik ben altijd op tijd wakker. Er hangt een lage mist over de landerijen die boven de sloten wat dikker is. De koeien komen half boven de witte nevel uit, de bomen eindigen in een lichte waas. Een bijzondere sfeer heerst er, en om deze tijd ben je alleen. Je maakt een sfeer mee welke velen missen. Dan komt als een grote rode bol de zon boven de horizon, stijgt zienderogen aan de hemel, en de mist verdwijnt onder haar stralen die onze aarde opwarmen. De lucht is helder met enkele witte wolkjes. Maar grote witte condenssporen van vliegtuigen verstoren het beeld van de blauwe hemel. Ik tel er wel zeven, en vraag me af hoe dat in de toekomst met het steeds drukker wordende vliegverkeer zal gaan. Vroeger toen je voor het eerst een enkel wit spoor langs de hemel zag vond je dat bijzonder, al weer een vliegtuig, en je volgde het spoor. Nu kijk je er met angst naar, wat een vliegtuigen. In de bermen langs de weg staan veel, en verschillende plantesoorten in bloei. In de wallen, en rond de huizen bloeien vlierstruiken.

 

Vieze spuug


Bloedcicage

In het heide, veengebied waar ik aankom bloeit dophei. Het eerste dier wat ik ontwaar is een haas. Hij heeft mij waarschijnlijk niet gemerkt want hij gaat mooi door met het knabbelen aan planten. Even later hebben een paar konijnen me wel opgemerkt, zij vluchten tussen de dichtere begroeiing waar ze ongetwijfeld hun holen hebben. Wilde konijnen nemen na een paar jaar grotendeels afwezig te zijn geweest weer in aantal toe. Dat gaat een tijd goed, en dan zal de gevreesde konijneziekte weer toeslaan, en vele slachtoffers vergen. Vooral in de duinen langs de kust zijn er weer grote aantallen. Meestal kom ik hier ieder jaar een paar keer, maar het is nu al even geleden. Staatsbosbeheer heeft het gebied kunnen uitbreiden, waardoor een bufferzone aangelegd kon worden. Hier zijn ook poelen gegraven waarin meer gebiedseigen water opgeslagen kan worden. Rondom in de verstoorde grond groeien en bloeien akkerdistels waaraan veel koekoeksspog, spuug of speeksel hangt. Dit is niet alleen aan distels te vinden, maar ook aan andere planten, gras en wilgen, die hier volop staan. Alhoewel de koekoek hier veel voorkomt heeft deze vogel er niks mee te maken. Een koekoek is een geheimzinnige vogel, ook altijd geweest. Waarschijnlijk dat men vroeger de gedachte had dat zij die vieze spuug aan de begroeiing achterlieten. Het wordt veroorzaakt door schuimbeestjes, en vooral bloedcicaden. De nimfen nemen plantesappen op wat met eiwitten wordt gemengd. Dit scheiden ze uit, en blazen er lucht in zodat er een schuimachtige massa ontstaat, welke na opdrogen aan de lucht enigszins stevig wordt. Hierin houden de nimfen zich op. Hierin drogen ze niet uit, en zijn zo beschermd tegen vijanden die het wel zullen laten om de lekkere hap uit die vieze smurrie te halen. Een paar keer zit er een bloedcicade op het ruige gras, deze zijn helemaal niet zeldzaam.

 

Dopheide


Dopheide

Overal staan prachtige pollen dophei. De eersten kunnen al in mei bloeien, en als het weer meezit kan de bloei doorgaan tot oktober, zelfs een enkele keer tot in november. Maar de eerste bloei is wel de mooiste. Dan tonen de kleine ovale bolvormige bloempjes de mooiste heldere kleuren. Later worden ze wat meer flets. In het diepere water zwemmen wilde eenden, aan de oever van de nieuw gegraven poelen staan een paar blauwe reigers. Een aalscholver zit in het gras, en een tweede komt aanvliegen. Houtduiven vliegen van boom tot boom. Er is een weelde aan vogels. Dan zit er in een lage berk een grauwe klauwier. De vogel heeft me al opgemerkt. Ik wist dat ze hier voorkomen, en zal vandaag nog een paar keer een zien. Ze houden er een aardige manier van jagen op na door gebruik te maken van uitkijkposten waar vandaan ze hun prooi bespieden en vangen. Soms doen ze dit vliegend, en biddend door bijna stil te staan om zo hun prooi te overrompelen. Deze bestaat uit insekten, hagedissen en kikkers, jonge vogels, maar ook kleine volwassen vogels en dieren. Vaak wordt er een voorraad aangelegd door de prooidieren die ze in hun poten meenemen en met hun snavel doden, op te prikken in een doornige struik, of op prikkeldraad als dat er is. In mei komen ze vanuit Tropisch Afrika naar onze streken om te broeden, en in Augustus vertrekken ze al weer. Hun geschikte biotoop is natte heide met hier en daar een groepje lage bomen of struiken. Ze nestelen graag in doornige struiken zoals meidoorn. Hier kunnen ze op de scherpe doorns vlak bij hun nest een voorraadje prooidieren spietsen.

 

Koekoek

Dan klinkt er de roep van een koekoek, maar een hele snelle afgebeten roep die gevolgd wordt door ook zo'n vreemde roep van een andere soortgenoot. En dan zie ik ze ook, het zijn er geen twee, maar wel drie. Ze vliegen schuin op me aan, twee vlak bij elkaar die ruzie maken in de lucht, en één een eindje er achter die het in ogenschouw neemt. Daar ze het veel te druk hebben met de onderlinge twist zien ze me niet, en speelt het geruzie zich vlak bij me af. Ik hou het op twee mannetjes die ruziën om het vrouwtje wat toekijkt in afwachting van de afloop. Ook deze vogels overwinteren in Tropisch Afrika. Ze komen hier aan in april of de eerste helft van mei, en de eersten vertrekken al weer in het laatst van juli of augustus. De jongen gaan later, zij blijven hier tot september of oktober.

 

Haften


Eendagsvlieg (Haft)

Voorheen waren hier veel haften, ook wel eendagsvliegen genoemd. Ik heb deze altijd vreemde insekten gevonden. Nu zijn er minder. Eendagsvliegen, wie gaf ze die naam. Als je niet beter weet zou je denken dat ze maar één dag leven. En als het dan een slechte dag zou zijn, zouden ze niks aan hun leven hebben gehad. Niks van aan. Het vrouwtje zet de eitjes af in het water, en dat is hier volop. Dat doet ze laag vliegend, en komt daarvoor steeds even met haar achterlijf in het water. En als ze genoeg eitjes heeft gelegd valt ze van uitputting dood in het water. De larve, nimf, groeit op in het water en doet daar minstens twee jaar over, tenminste als ze het overleven. Dit soort insekten, en vooral de larven, is voedsel voor veel ander leven. Maar goed ook, want anders kwamen er nog veel meer. Niet dat ik wat op haften tegen heb, ze doen je niks, maar er zijn al zoveel. Soms hangen ze in wolken boven het water. In het voojaar of zomer ontwikkelt zich uit de nimf een half volwassen haft die zich zo'n dag of twee in de oevervegetatie ophoudt. Dan gaat die over in een volwassen haft met drie staartdraden wat het insekt een opvallend wondere verschijning geeft. Zo kan hij of zij nog een dag of drie, vier leven. Maar dit is wel de belangrijkste periode van het leven van een haft. Ze moeten zorgen voor het nageslacht, eitjes afzetten dus, en dat kan alleen maar in deze laatste korte periode. Haften, ik heb het altijd wondere insekten gevonden, maar dat het mijn favoriete dieren zijn, dat beslist niet. Vraag me niet waarom, daar heb ik geen antwoord op.

 
Hans Baron (juli 2005)

«« terug naar overzicht« vorige columnvolgende column »