Verleden en heden, mens en natuur

Mijn vader was houthakker, mijn grootvader ook. En mijn ooms, en ook die van mijn moeders kant, en van een verdere generatie terug zo ver ik weet ook. Altijd bezig in de vrije natuur, maar het was een armoedig bestaan. Van mijn vaders kant woonden ze in een streek waar de laagste stand bijeen schoolde, afgelegen, maar het heette Welgelegen. Ook daar leefden ze dicht bij de natuur. Er was maar een die welgesteld was, en zich verrijkte, en woonde in een voornaam herenhuis. Nee niet in Welgelegen, de houtbaas. Toch geen rare man, en ik heb als kind altijd hoog bij hem opgekeken, ik had ontzag voor hem, het was tenslotte mijn vaders baas, en de baas van mijn grootvader en de anderen. Veel herinneringen heb ik nog aan die tijd, vooral in het voorjaar als mijn vader weer thuis kwam met eendeneieren, en later fazanteneieren, of eieren van patrijzen of andere vogels. Mijn ene grootvader was stroper. Ik smulde van de verhalen als hij aan het vertellen was over hetgeen hij beleefde tijdens zijn nachtelijke strooptochten met het zetten van strikken. Of met zijn hond en geweer. Of met de boswachters die wacht hielden bij de strikken die hij had uitgezet. En dan de avonturen met de marechaussee, om deze te ontlopen. Politie heb ik hem nooit over gehoord, het waren altijd de marechaussee, of boswachters van "de grote heren".

 

Van jongsaf


Het trieste gevolg van een jachtpartij

Al van heel jongs af aan was ik vaak bij mijn vader in het bos. Ik klom in bomen en zocht naar nesten van vogels. In onze kamer hingen een paar strengen met uitgeblazen eieren. Dat hoorde zo in die tijd, dat hoorde er bij als jongen. Dan deed je mee. Mijn vader, mijn grootouders en ooms, ze leven al lang niet meer. Van hen heb ik de eerste indrukken, het mooie van de natuur kunnen beleven, maar om het te beschermen, nee dat niet. Die noodzaak was er toen eigenlijk ook nog niet. De natuur was er om van te leven, te oogsten. De grootgrondbezitters gaven toch het voorbeeld. De bossen werden uitgekamd door massale drijfjachten. Als jongens stonden we er op een afstandje naar te kijken. Door de drijvers werd er dan geroepen van fazant, of houtsnip, of ree. Ik zie de fazanten nog naar beneden dwarrelen na een gericht schot hagel. En daar lagen ze dan na een jacht, uitgestald op de grond, konijnen, fazanten en ander gevogelte, en een enkele haas of ree. En dat werd dan op een kar geladen en afgevoerd. Die beelden, ik heb het altijd verschrikkelijk gevonden. Er was iemand op de buurt die ieder voorjaar de spreeuwen op zijn dak bespiedde waar ze hun nesten maakten. En dat waren er nogal wat. Op het dak met riet, waar boven oude holle pannen lagen was veel nestgelegenheid. Dan kwam de ladder tegen de dakgoot te staan, en hij was een hele morgen bezig om alle spreeuweneieren te verzamelen. Voor de koekepan natuurlijk, en na een poos ging hij nog eens weer het hele dak over. Achter hun huis lag een klein bosje waar een paar meidoornstruiken stonden. Hierin broedden elk jaar houtduiven. Even voor de jongen konden uitvliegen werden ze van het nest gehaald en verdwenen ook in de pan.

 

Eerste kennis

De liefde voor de natuur heb ik zelf opgedaan, de eerste kennis van mijn hoofdonderwijzer die ik daarvoor nog steeds dankbaar ben. Maar ook van de dorpskapper, die me er ook op wees dat het beschermen van de natuur nodig werd. Ik kwam in aanraking met andere mensen, ook bekenden zoals "Vogeltje Bos" Sjoerd Span, Hielke de Boer, Jan Strijbos, en Gerrit Stobbe. Van ieder kreeg ik wat mee, en dacht er over na. Geen een van hen die meer in leven is. De natuur ging mijn leven beheersen, en met lede ogen heb ik de achteruitgang moeten aanzien, en dat zet zich voort, wereldwijd. Welk natuurblad je maar leest, vogelsoorten staan op uitsterven, diersoorten verdwijnen, en voor veel plantesoorten is er geen plaats meer op onze aarde. Veel is veraf, maar kijk eens in eigen omgeving. We waren op de dag van de Nederlandse vlinderstichtig dit voorjaar. Ook met deze prachtige insekten staat het er in ons land belabberd voor. Herinneringen uit mijn jeugd vergeleken met het heden, het is een treurige zaak. En moet dat zo, ik zeg pertinent van nee. Waarom die zinloze diepontwatering, waarom moeten er zoveel houtwallen gehakt en gerooid worden. Waarom moet dat waterpeil in de sloten zo laag. Waar is dat rijke leven "In sloot en plas" wat vroeger zo bejubeld werd. Het basisvoedsel van veel groter leven. Wat voor begrip wordt er getoond voor de natuur, voor al het andere leven op aarde waar wij als mensen met zijn allen verantwoordelijk voor zijn, en de overheid in eerste zin. Ik ben er van overtuigd dat de vroegere stropers meer begrip en respect hadden voor de natuur waar zij uit oogsten, dan de hedendaagse mens die zich er steeds verder van verwijdert. Nee, laat ik mij niet opwinden, niet boos maken, het is de tijd waarin we leven. Economisch belang, economische welvaart is wat de mens beheerst. Het geld heeft de mens in de macht, ten koste van de natuur. Ten koste van heel veel leven, wereldwijd. De apen, de ijsberen, olifanten tijgers en walvissen. En dicht bij huis de weidevogels, nee, heel veel vogels en dieren. Voor hen is er geen ruimte meer. Zij hebben geen rechten. Ik ga er bij zitten en denk heel diep na. Heeft het andere leven buiten de mens geen recht van leven op onze aarde?

 

Genieten


Oranjetip

Laat ons genieten van de natuur. Voorjaar, vlinders fladderen van bloem tot bloem. Meimaand, de maand waar het prachtige oranjetipje te bewonderen is. Een van de dagvlinders die we maar heel kort ieder jaar weer kunnen waarnemen. Zo midden april verschijnen ze als de pinksterbloemen beginnen te bloeien. Mei is de piek van hun voorkomen, en in juni verdwijnen ze al weer. De vlinders vliegen slechts in een generatie. Ze leggen eitjes, de rupsen eten, gaan over in een pop, en pas het volgend jaar in april zie je ze weer als vlinder. De eitjes en rupsen zijn heel onopvallend, het is een treffer om die te vinden. Oranjetipjes komen voor op kruisbloemigen en resedasoorten. De eitjes worden op de bloemsteeltjes gelegd, en de rupsjes eten van de jonge vruchtjes.

 

Dagpauwoog


Dagpauwoog

Het gebeurde verleden jaar. We hadden rupsen van de dagpauwoog in de brandnetels. Ieder zal deze mooie vlinders kennen met die grote ogen in de voor en achter vleugels. Vier van die felle ogen. Een prachtige vlinder, een van de eersten na de winter, en een van de laatsten in de herfst. Je kunt ze de hele zomer door waarnemen. Ze hechten hun eitjes aan de onderkant van de bladeren van brandnetels. En daar komen van die vreselijke rupsen uit met die vervaarlijk lijkende stekels op hun lichaam. Maar in die tijd hebben veel vogels jongen in hun nesten die ze opvoeden met rupsen. En een mees zal het wel laten om zo'n giftig vies lijkende rups aan hun jongen te voeren. Bescherming dus. Wij woonden tijdelijk in een ander huis in ons dorp, en vrienden uit het zuiden van het land zaten in ons huis. Ik had gezegd dat de vlinders op het punt stonden om uit de cocons te komen, en dat dit veelal in de morgen gebeurt. In de loop van de morgen kwamen ze dan bij ons, en dronken we gezamenlijk koffie. Maar op een morgen bleven ze weg. Pas veel later, daar kwamen ze aan. Reeds vroeg in de morgen waren er vlinders bezig geweest hun cocon open te werken. Ze hadden brood gesmeerd, en waren er bij gaan zitten om het wonder van dichtbij mee te maken, hoe een paar vlinders zich uit hun nauwe cocon wurmden. Is het geen wonder, het leven van een vlinder. Eerst een kwetsbaar eitje, dan een griezelige rups, en dan van pop tot vlinder. Velen staan er niet bij stil, maar ga eens rustig zitten nadenken. Dat wondere leven, en dat is er zo veel, dat mogen wij toch niet teloor laten gaan?

 
Hans Baron (mei 2003)

«« terug naar overzicht« vorige columnvolgende column »