Hoe gastvrij zijn wij voor de natuur?


Brandganzen in vlucht

Het was op een vroege morgen en net licht. Ik was al vroeg van huis gegaan en wilde de zon op zien komen in de natuur. Vanaf de weg kon ik een groot weidegebied over kijken waar ik het grootste deel van de dag door zou brengen. Het is een gebied waar veel ganzen voor komen, Maar niet zo lang meer want dan vertrekken ze weer naar hun broedgebieden in het hoge noorden.
Grote aantallen ganzen liepen foeragerend op enkele weilanden. Voor het grootste deel waren het Kolganzen, maar ook mooie aantallen Brandganzen. Verder scharrelden er kleine groepjes Grauwe ganzen om. Deze zouden hier waarschijnlijk blijven, al vanouds zijn het broedvogels in ons land. Maar lange tijd werden ze hier niet meer gezien. Ze leken uitgestorven. Naar er gezegd wordt was vooral de jacht en het leeghalen van de nesten de oorzaak. Maar door een project van Staatsbosbeheer en later van It Fryske Gea zijn onze inheemse ganzen terug gekomen in de natuur. En zo hoort het, ze horen er tenslotte bij.
Langzaam reed een politieauto het smalle weggetje langs wat door het gebied gaat. Het is een doodlopend weggetje waar ik later ook langs zou gaan tot het einde. Ook de politie kon niet verder, die moesten ook langs het zelfde pad terug. Waarschijnlijk controleerden ze of er geen mensen in het veld waren. De weg op rijden is toegestaan, maar het betreden van de landerijen is verboden. Er zijn borden bij de hekken geplaatst die aangeven dat het een ganzen gedooggebied is.
Ik ging verder en sloeg het smalle weggetje in. Na nog na geen 200 meter kwam ik de politieauto al weer tegen. Zo, die hebben hun plicht gedaan.
Het eerste stuk is in deze tijd minder interessant. Als de weidevogels terug komen wordt het mooier. Er zit een flauwe bocht in de weg en dan komen de gebieden waar de ganzen zich bevinden. Ik reed heel langzaam, af en toe even stoppend om door de verrekijker het veld over te zien. In de brede sloten hielden zich Wilde eenden, Kuifeenden en Meerkoeten op. Zelfs zag ik een paar Scholeksters.

 

Verstoring ganzen


Allerte Grauwe gans

Toen kwam er met grote snelheid een auto achter mij aan. Dat vond ik asociaal. In de brede bermen houden zich immers ook vaak vogels op. Uit protest bleef ik heel langzaam midden op de weg rijden in de hoop dat de snelheidsduivel zou temperen. Dat deed hij niet. Met grote snelheid reed hij mij door de berm voorbij. Dat zou ik ook doen als ik haast had, maar ik zou niet weten waar je hier haastig voor zou moeten hebben. Je kunt niet verder dan tot het einde. Er staat geen huis. Er woont geen mens aan dat weggetje.
Ik keek de man achterna. Toen stopte hij bij een dam. Haastig gooide hij het hek open en reed met zijn auto het weiland in, recht op de ganzen aan. Daar begon hij rondjes te rijden om de ganzen te verjagen. Dus, vandaar die haast. Hij zal gedacht hebben: de politie is er geweest nu heb ik de gelegenheid om de ganzen van het land te verjagen. Dat vond ik laf. Beurt hij geld omdat hij de ganzen op zijn weiland gedoogt, maar dan verdrijft hij ze toch nog. Dit kan gewoonweg niet, dat mag niet. Maar hij moet toch weer terug en dan zal ik hem laten stoppen en hem er op aan spreken.

 

Nummer genoteerd

Toen hij alle ganzen van zijn land verdreven had keerde hij terug naar de weg. Hij reed nog verder en ging opnieuw een weiland in waar zich hetzelfde herhaalde. Ook daar verjoeg hij alle ganzen door rond te rijden. Daarna keerde hij terug en kwam mijn kant uit. Ik blokkeerde de weg, maar de man reed snel door de berm en verdween. Maar ik had het nummer van zijn auto in mijn recordertje ingesproken en in mijn notitieboekje genoteerd.
Hoe moest dit verder? Dit kon gewoon niet. Ik moest er wat aan doen. Maar klikken vind ik een vreselijke daad. Maar is het wel klikken als ik zoiets doorgeef aan de politie? Was wat die man deed ook geen vreselijke daad? Tegen de avond thuis gekomen, bel ik de politie van de plaats waar het voorval zich voordeed.

 

AID

Die zelfde avond hadden we een bijeenkomst van een groep natuurbeschermers. Ik vertelde wat ik die dag had meegemaakt. Iedereen mag weten wat voor misstanden er gebeuren in de natuur. In de pauze komt er iemand bij me en vraagt of ik het nummer van de auto genoteerd heb. Hij kon er misschien wat aan doen. Het bleek iemand van de AID te zijn. Het nummer heeft hij gekregen. Ik hoop dat het gewerkt heeft. Maar zelfs nu nog heb ik er spijt van dat ik moest klikken, maar ik kon niet anders.

 

Een jaar later, het zelfde weggetje

Het is ongeveer in de zelfde tijd, begin maart. Ik heb mijn auto in de berm gezet om te proberen overvliegende ganzen te fotograferen. Dan komt er een auto aan rijden. Hij stopt naast me in de berm. De auto, zowel de kleur als het model komen mij bekend voor. De man, ik schat hem ongeveer van de zelfde leeftijd als mij, komt er uit, stapt naar me toe en vraagt: wat doe je daar? Ik ben bezig de overvliegende ganzen op de foto te zetten, vertel ik hem. Die smerige rotdingen, zegt hij, ik wou dat ze weg waren. Het zijn toch mooie vogels? zeg ik. Waarom moeten die weg? Ze vreten alle gras op, antwoord hij. Maar nog een dikke maand dan gaan ze weer naar het zuiden. Naar het zuiden? vraag ik, wat moeten ze daar. Daar broeden ze en komen in de winter met nog veel meer terug, die krengen. Dat de man niks van ganzen moest hebben was duidelijk. Ze mochten van hem allemaal afgeschoten worden, dan zijn we er vanaf. Of ze in het voorjaar naar Spanje gingen om te broeden of naar Afrika, dat wist hij niet. Ik wist genoeg. Het zal de zelfde man geweest zijn van het jaar daar voor.

 

Opvoedende taak

Vroeger was ik controleur vogel- en natuurbeschermingswet, maar dat is al lang geleden.
We waren naar Utrecht geweest om een examen af te leggen. Na een aantal jaren bleek dat er te veel personen waren, en dat er enkele waren die er misbruik van maakten. Van het ministerie moesten we de papieren weer inleveren. Ik heb dat niet gedaan, ik heb het nog steeds als herinnering. Achteraf weet ik dat ik niet de enige ben die het nog heeft. Maar je kunt er niks meer mee. Het was ook niet mijn bedoeling om bonnen uit te schrijven. Het ging mij om gevallen zoals beschreven en dan om de mensen te bepraten. Een opvoedende taak dus. Zo beschouwde ik het en daarvoor had ik het ook gedaan. Hadden we de bevoegdheid gehouden, dan had ik die kwestie met het verjagen van de ganzen zelf kunnen oplossen.
Nu heb ik in zekere zin die kans ook. Ik leid veel excursies voor jong en oud. Zo kan ik de mensen het mooie, maar ook het nuttige van de natuur bijbrengen. Vaak hoor ik de mensen dan onderling zeggen: dat heb ik nooit geweten of: daar zal ik in het vervolg aan denken.

 

Geel


Speenkruid

Het Speenkruid is weer uitgebloeid. Sommige slootwallen die mooi op de zon liggen waren geel van de duizenden botergele, stervormige bloempjes. Nu zie je daar de geel verwelkte blaadjes nog. Daarna werden sommige graslanden weer geel van de Paardenbloemen. En daarna volgt de gele Boterbloem, hoewel dat toch meer een zomerbloeier is. Er is veel geel in de natuur, neem de Dotterbloem. Wat zijn dat ook schitterende planten in het prille voorjaar. Jammer, heel jammer dat deze zo in hun bestaan achteruit gaan. Als we veertig, vijftig jaar in de tijd terug gaan waren sommige polders geel van de Dotters, maar vooral door gebruik van kunstmest gaan deze planten verdwijnen. Wie oplet in de natuur zal het opgevallen zijn dat ze in die weilanden uitwijken naar de kanten, naar de slootwallen. Ze kunnen gewoon die meststoffen niet verdragen. Daar komt het lage waterpeil ook nog bij in die gebieden waar deze planten voor komen. Dotterbloemen zijn vochtminnende planten die houden van gebieden die in de winter even onder water staan om het kiemen van het zaad te stimuleren. Helaas, we moeten al zoveel aan natuur missen, en dat zal zo het nu lijkt door gaan. Insecten zijn afhankelijk van planten, maar planten weer van de insecten. Insectenverdelgende middelen zijn weer de boosdoener van het verdwijnen van insecten in die gebieden. Als het één verdwijnt, wordt het ander er in meegenomen. En dan de weidevogels waarvan veel jongen afhankelijk zijn van het kleine insectenleven. Sommige meer van het bodemleven, maar ook dat heeft er onder te lijden.
Maar het Speenkruid zal lang stand houden. Het is een plant die hier eigenlijk geen zaad vormt, maar tegen de tijd dat ze uitgebloeid zijn vormen ze in de oksels van de bladeren knolletjes die zich door verplaatsen of omwoelen van de grond verspreiden om zo weer uit te groeien tot nieuwe polletjes.
De lente is een mooie tijd als alles na de lange winter weer tot groei en bloei komt. Maar de herfst doet daar niet voor onder als de bladeren verkleuren aan de bomen en de paddestoelen de natuur sieren met een mengeling aan kleuren en vormen voor we de winter weer in gaan. Wie oog heeft voor de natuur kan er het hele jaar door van genieten.

 
Hans Baron (mei 2011)

«« terug naar overzicht« vorige columnvolgende column »