Geen dank

Het is vandaag de eenentwintigste december als ik dit schrijf. Voor mij begint vandaag het nieuwe jaar. Immers, vandaag is het de kortste dag en staat de zon boven de zuiderkeerkring. Elke dag na deze zal hij voor ons op het noordelijk halfrond weer wat langer gaan schijnen. Elke dag weer meer en langer licht. Elke dag weer wat dichter naar het voorjaar toe. Dat is toch een teken voor vreugde, een teken om de terugkerende kracht van de zon te vieren. Waarom zo'n willekeurige dag als de eerste januari? Of nee, de eerste januari zouden we moeten verschuiven naar morgen, twee en twintig december. Ik heb wel eens afwijkende gedachten zegt mijn vrouw. Oké, ik leid mijn eigen leven, leef voor de natuur en probeer alles wat er leeft, groeit en bloeit te beschermen. Maar dat wordt wel eens verkeerd begrepen.

 

Schelpen en weekdieren


Heramiet kreefjes

Ik heb me weer eens in de nesten gewerkt met mijn natuurbeschermingsgedachte. We hadden een excursie naar Schiermonnikoog, onze schelpenwerkgroep samen met de Malacologische vereniging. Dat is de Nederlandse organisatie, zeg maar het overkoepelend orgaan van de schelpenverzamelaars. Wij verzamelen zelf ook graag schelpen. Je benadeelt de natuur beslist niet als je de schelpen - het afval van de zee - die aanspoelen op het strand meeneemt. Iets anders wordt het als er weekdieren levend worden opgegraven en dan uit hun huisjes of schelpen worden gekookt, of op de een of andere manier er uitgepeuterd wordt. Toen we pas lid waren schrok ik er van dat dit gebeurde. Ik vond het vreselijk en stak mijn mening niet onder stoelen of banken. Je mag voor je verzameling geen schade aan de natuur toebrengen en geen dieren doden voor je verzameldrift. Ik meende dat ik op moest komen voor de levende natuur. Ik kreeg bijval van de toenmalige voorzitter van onze schelpenwerkgroep. Ook leden voelden zich schuldig en gingen er ook anders over denken. Ik was blij, mijn lidmaatschap zou vruchten afwerpen voor de natuur. Maar nu met die excursie van de Malacologische vereniging naar Schiermonnikoog. Er waren er voor ons onbekenden bij. Een grote man stond met een zeef aan een stok te zwaaien. Wat zou daarmee toch moeten gebeuren, zo vroegen we ons af. Met de Balgexpres werden we naar het oostelijke punt van het eiland gebracht. Een aanrader, en de moeite waard om dat eens te doen. Wij hadden dat al eens eerder gedaan. We gingen een eindje mee terug, om daarna, al zoekend langs het strand, verder lopen. Zo kwamen we bij een lange strook waar zich vlak voor de vloedlijn vele duizenden kleine heremietkreeftjes ophielden in het ondiepe heldere water. De laatste jaren was dat steeds rond deze tijd zo, vertelde de excursieleider, een bewoner van het eiland. Er waren zoveel kreeftjes, dat je geen stap kon verzetten of je moest er op trappen. Uit respect voor de diertjes zou je daar niet moeten komen.

Helaas, het ging anders. Gretig werden er door sommigen diertjes gevangen, het ging vooral om de diertjes die een trapgeveltje als onderkomen hadden, gewilde slakkenhuisjes bij verzamelaars. Er werd niet gekeken waar ze hun voeten neerzetten. De genoemde man met de zeef liep er met zijn grote laarzen zonder schaamte tussenin. Hij schepte ze op en stortte ze op het droge. Belangstellenden graaiden er in om, op zoek naar hun geliefde huisjes, die samen met de levende diertjes in een plasticzak kwamen. Ik stond er bij en keek er naar, maar wist niet wat ik moest doen. Een paar van onze bestuursleden hadden inmiddels naar mij staan kijken en tegen elkaar gezegd dat het mij wel dwars zou zitten. Ze hadden gelijk. Maar als ik er wat van gezegd had was het misschien op ruzie uitgelopen. Het was prachtig weer en ik wou de dag niet bederven. Later bleek dat wij niet de enigen waren geweest die het verschrikkelijk hadden gevonden. Ik sprak iemand die er zelfs op had gerekend dat ik er wat van gezegd zou hebben.

 

Brief


Zwaardschede

De hele dag zag ik in gedachten die man met zijn zeef in het water staan. De kreeftjes op te scheppen en de mensen op het droge die in de hoop omgraaiden. Ook 's nachts kwam dat beeld weer bij me terug. En zelfs nu af en toe nog, al is het al weer enkele maanden geleden. Misschien dat het onderstaande daar ook mee te maken heeft. De volgende morgen was het eerste wat ik deed een brief schrijven naar de Malacologische vereniging. Nou dat heb ik geweten. De secretaresse heeft die brief direct doorgestuurd naar haar voorzitter, de drie bestuursleden van onze schelpenwerkgroep en de excursieleider. Ter plaatse had ik werkelijk medelijden en respect voor de excursieleider, een heel aardige man, die zijn werk ook heeft gevonden in de natuur. Ik had gedacht dat ik met deze brief een goede daad had verricht, er van uitgaande dat het hoofdbestuur ook natuurbescherming hoog in haar vaandel zou dragen. Helaas, het bleek anders. De voorzitter van onze schelpenwerkgroep belde mij op. Hij vond het niet aardig wat ik had gedaan. De eerstvolgende bijeenkomst van de groep zou bij ons thuis zijn en hij vroeg zich af of dat nu nog wel door kon gaan. Ik schrok van deze vraag. Aan zoiets had ik nooit gedacht. Ik vond dan ook dat de bijeenkomst zeker door moest gaan. Maar het gebeurde was tegen alle normen van respect voor dierlijk leven in. Bij de bijeenkomst gaf de voorzitter direct het woord aan mij. Het werd een discussie tussen mij en de voorzitter, waar ik me terecht kon verdedigen. De anderen bemoeiden zich er helemaal niet mee. Toen kreeg ik van de voorzitter te horen dat ik lid van de vereniging mocht blijven. Dat was weer schrikken. Zet je je in voor bescherming van de natuur en dan is er met de gedachte gespeeld om mij uit de vereniging te zetten. Overigens weet ik niet of de andere bestuursleden er ook zo over dachten. Ik heb ook post gehad, maar geen bijval. De voorzitter van de Malacologische vereniging - die er die dag niet bij was - probeerde in zijn brief indruk te maken door met zijn titel Prof. Dr. te schermen. Hij had foto's gezien en telde op minder dan één vierkante meter 150 tot 200 heremietkreeftjes. Het gebeurde zal, zo schreef hij, geen schade berokkenen aan de populatie. Dat ben ik met hem eens. Maar hij repte met geen woord over het feit dat die diertjes levend in plasticzakken werden gestopt en gedood. Dat zal hij dus ook goed vinden. Hij wees me op hun gedragscode, die inhoudt dat de vereniging er achter staat dat men dieren mag uitgraven en doden voor hun verzameldrift. In mijn ogen dus geen respect voor het natuurleven. Dat had ik van een professor niet verwacht. Ik heb hem maar een nederig briefje teruggestuurd met de mededeling dat ik geen professor titel droeg, maar een eenvoudige zoon van een houthakker was, opgegroeid in de natuur waar ik het volle respect voor heb. Voor alles wat er leeft, groeit en bloeit. Ik voelde me net als Luther die zijn geschriften op de kerkdeur in Worms spijkerde: hier sta ik. God helpe mij. Ik kan niet anders. Weer ben ik teleurgesteld in mensen in hun denkwijze en omgang met dieren. Temeer nog als die mensen een hoge studie hebben genoten.

 

Winter


IJzel

Als ik door het raam naar buiten kijk zijn de bomen versierd met prachtige witte ijzel. Er hangt mist boven het groene land, waarvan het gras bedekt is met een dunne witte sluier. Ik zie geen straat in de verte, geen auto's en ook het dorp niet waar overal kerstversiering hangt. Alleen de berijpte bomen en de houtwallen rondom ons huis, door niets verstoort. Het lijkt alsof we alleen wonen, helemaal alleen op deze grote aarde, ons paradijs.
Wat een schoonheid, even zo'n klein wintertje. Ga maar eens met een vergrootglas een takje met ijzel goed bekijken en u zult het met me eens zijn dat het een echt kunststukje is. IJzel, gevormd door vocht en vorst. Geen kunstenaar die het zo echt, zo teer na kan maken. En er is geen takje gelijk. En nu moet het nog echt gaan vriezen en daarna sneeuwen. Het is al jaren geleden dat we dat meemaakten. Sterk ijs, zo sterk dat je op schaatsen over kanalen, rivieren en meren kunt zwerven. En dan een Elfstedentocht. Ik zie er naar uit.

 
Hans Baron (januari 2008)

«« terug naar overzicht« vorige columnvolgende column »