Emigranten van ver, geliefd of verwenst


Coloradokever

Ik loop aan de rand van een natuurgebied, speurend naar planten vlinders en ander klein leven. Aan een gebogen hooge grasstengel hangt een tienuursvlinder, een nachtvlinder die op deze plaats de dag doorbrengt. De meeste nachtvlinders zijn overdag moeilijk te vinden door hun gedegen schutkleur, maar deze valt goed op. Ik vind deze vaker. Omstreeks tien uur vanavond zal hij weer gaan vliegen. Zo geeft zijn naam het aan. Ik heb dat ook nog nooit gecontroleerd, en vraag me af of dat zo is. Ze vliegen in één generatie van april tot eind augustus. Het daglicht is midden juni een stuk langer dan in april of eind augustus. Ik ligt voor de hand dat ze tijdens het kortere daglicht eerder vliegen dan midden juni. Een tienuursvlinder hoort op heidevelden, en gelijksoortige gebieden bij ons thuis, dat is ook altijd zo geweest.

 

Coloradokever


Tienuursvlinder

Maar even later, ik kan mijn ogen bijna niet geloven, daar zit een Coloradokever op het blad van een brandnetel. Heel voorzichtig laat ik hem in een doorzichtig doosje kruipen. Wat een prachtige kever. Ik herinner me nog van vroeger toen er een enkele keer een echte invasie was van deze kevers, en dat ze aanzienlijke schade aan de aardappeloogst toebrachten. Dat zal meer dan vijftig jaar geleden zijn. Ik vertel het aan een goede vriend die in de landbouw zit, met de vraag zie jij nog wel eens een? Nee is het antwoord, maar ik herinner me nog wel van de vroegere school, dan had de meester ze in een potje, dan werd er over verteld, en werd ons verzocht ze te vangen en te verdelgen. Dat is de zelfde herinnering die ik zelf ook heb, maar we zaten in dezelfde klas. Wat heb je er mee gedaan zei mijn vriend, maar het antwoord wist hij vooraf al. Natuurlijk de vrijheid laten behouden in de natuur. Ik vroeg het aan een oude boer. Och myn jonge zei hij, vroeger hebben we het gehad dat ze de aardappelvelden kaal vraten. Er bleef niks meer over. Maar later heb ik nooit weer een gezien. Een oudere vrouw die dat hoorde zei, ja vroeger waren die dingen hier, maar dat zijn toch vreselijke enge, giftige beesten? Een andere vriend, een boerenzoon had ze met zijn andere familie vroeger voor zijn vader van de aardappelen moeten zoeken, maar er was vaak geen zoeken aan zei hij. In korte tijd was een aardappelveld kaal. Maar nadien heeft hij er ook nooit weer een gezien. Ook herinner ik me nog de berichten van toen in de krant, dat coloradokevers massaal aanspoelden op de stranden. Ze zouden van Amerika, want daar komen ze vandaan, proberen de oceaan over te vliegen, maar konden de reis niet volbrengen en raakten in het water. Dood spoelden ze op de Europese stranden aan. Dit is een verhaal wat ik niet kan geloven, maar kranten slaan vaak de plank mis.

 

Nachtschade

Ik heb mijn fotocamera klaar gemaakt, wat bladeren op de grond gelegd waar ik de kever voorzichtig op los heb gelaten. Toen de fotocessie klaar was heb ik hem weer op een brandnetelblad gezet, daar zat hij ook op. Toch is dit niet de juiste voedselplant, dat zijn nachtschadeachtigen, en vooral aardappelen. Dan duik ik even in de historie van de Coloradokevers. Het is een Amerikaans geslacht waarvan maar één soort in Europese landen voorkomt. Ze leefden in hun land van herkomst van nachtschade. Toen men daar aardappelen ging verbouwen zijn zowel kevers als larven over gegaan zich daaraan te goed te doen. Omdat er uitgestrekte aardappelvelden waren konden de kevers zich explosief voortplanten, er was een overvloed aan voedsel. In 1877 werd de Coloradokever waarschijnlijk met voedseltransport voor het eerst in Europa gevonden, maar weer uitgeroeid. Nadien kwamen ze vaker op de zelfde wijze Europa binnen, maar konden steeds weer uitgeroeid worden. In 1922 was er een grote populatie in Frankrijk die niet meer in de hand te houden was. Sinds die tijd is deze kever steeds meer gebied gaan bewonen, en in 1948 had hij bijna heel Europa in zijn greep. In Nederland moeten ze af en toe nog eens gevonden worden. Maar na alle informatie die ik heb gedaan is er niemand die ze in vele jaren ooit meer heeft gezien. Ze vliegen van april tot oktober in één of twee generaties. Het vrouwtje kan enkele honderden eitjes leggen welke ze aan de onderkant van de bladeren in aantallen van twintig tot tachtig tegelijk afzet. De larven zijn eerst rood met donkere vlekken, later geel-rood. Ze verpoppen onder de grond.

 

Oude emigranten


Kamperfoelie

Wilde konijnen zijn weer een poos schaars geweest, maar ze komen steeds weer meer voor. In onze eigen omgeving is dat goed te zien, maar in Appelscha, en naar het oosten in Drente zijn weer grote aantallen. Als je de diertjes zelf niet ziet, let dan maar op de krabsporen en de grote hoeveelheden keutels. Ook op plaatsen waar ze het gras kaal houden. Ik maakte een paar tochten naar het Zwanenwater en het Lauwersmeer, daar wemelt het weer van de konijnen. Ook overdag laten ze zich daar veel zien, vooral jongen. Als we de overlevering mogen geloven zijn de wilde konijnen ook oude emigranten. De Romeinen moeten ze hier ingevoerd hebben, waarschijnlijk om er op te jagen. Ook hebben deze zelfde Romeinen naar overlevering en zeggen de kamperfoelie hier inge-voerd. Ik kan me dat best voorstellen. Aan hun luxe huizen van toen stond zo'n klimplant aan een veranda wel mooi, zo ze dat ook in hun zonnige zuiden gewend waren. De kamperfoelie is verwilderd, levert rijke voedingsstof aan insekten, maar die van ons kunnen er door de lange schacht niet bij. Dat is een teken dat kamperfoelie er hier toch niet helemaal bij hoort, net zoals Voorjaarshelmbloem en Holwortel. Maar hommels hebben daar wat op gevonden. Zij bijten een gaatje achter in de schacht om bij de rijke voedselbron te komen. Echte inbrekers dus.

 

Vreemde snuiters

Zo zijn er op het gebied van fauna en flora veel vreemde snuiters binnen gekomen. Sommigen zijn echt schadelijk, agressief waardoor inheemse soorten verdwijnen. Denk maar aan de Portugese of Japanse oesters, de Nijlganzen, en niet te vergeten Amerikaanse vogelkers. Allemaal soorten die met de ellebogen werken om zich er tussen te dringen ten koste van de soorten die er altijd geweest zijn. Sommige vreemden komen hier spontaan, anderen ingevoerd door de mens omdat ze mooi zijn, of nog beter dat ze economisch van grote betekenis zouden kunnen zijn. Zouden kunnen zijn, dat slaat vooral op de Amerikaanse vogelkers. In het begin van de vorige eeuw lieten bosbouwers hun oog vallen op de Amerikaanse vogelkers die van oorsprong voorkomt van Canada tot in Florida, en het binnenland van Amerika in tot ver naar het westen. In hun oorspronkelijk thuisland worden het mooie bomen met een forse stam. Hun hout is van goede kwaliteit, maar wat de bosbouwers vooral aanlokte was dat ze zeer snel groeien. Wat wil je meer, snelle groei, veel en goeie kwaliteit, in korte tijd rijk worden. Maar het pakte anders uit. Hier ingevoerd groeien ze snel, maar het blijven meer struiken dan bomen. En door hun snelle groei belemmeren ze andere inheemse soorten, die worden gewoon verdrongen. Het werd al gauw bospest genoemd, maar men had wel een probleem aangehaald. Ze bloeien prachtig, en leveren veel vruchten, dat betekent veel zaden. Deze bessen worden graag gegeten door vogels en dieren, zelfs vossen. De pitten worden voorzien van een vruchtbaar laagje poep, en ergens weer achter gelaten waar ze voorspoedig kiemen. De terreinbeheerders hebben veel werk om ons land niet vol te laten groeien met deze woekeraars. Nee, van bospest zijn de bosbouwers niet rijk geworden.

 
Hans Baron (september 2006)

«« terug naar overzicht« vorige columnvolgende column »